Infrastructuur

Hoogste tijd voor de grote schoonmaak

donderdag 08 februari 2007

Gepubliceerd in Bouwdienst Magazine

Het verleden heeft Nederland opgezadeld met een overschot aan vervuilde baggerspecie. Een tekort aan financiele middelen, bestemmingen en organisatorische samenhang hielpen tot nu toe niet mee om de achterstand bij de aanpak van de waterbodems in te halen. Een tienjarenscenario bepleit snelle actie. “Als we niet tijdig ingrijpen, zal de schade niet te overzien zijn.”

Nederland slibt dicht, letterlijk. Er is een overschot aan baggerspecie, die vaak ook nog vervuild is. Vaarwegen raken verstopt en havens zijn minder goed bereikbaar. Schepen kunnen minder lading vervoeren en recreatiegebieden verliezen hun aantrekkingskracht. Ook jachthavens hebben te maken met achterstallig onderhoudsbaggerwerk. Het gevaar op overstromingen stijgt en het milieu loopt schade op. Het is daarom hoog tijd voor een grote schoonmaak.

De eerste aanzet tot een grootscheepse aanpak van de waterbodems werd eind vorig jaar gegeven door het landelijke projectteam van het Advies- en Kenniscentrum Waterbodems (Akwa). Dit is het samenwerkingsverband van Rijkswaterstaat op het gebied van waterbodems.  Akwa stelde samen met de waterbeheerders een rapport  op, dat de omvang van de baggerproblematiek in kaart en oplossingen verkent. Dit basisdocument is tevens bedoeld voor bestuurlijke en politieke besluitvorming voor toekomstig beleid.

Samenwerking

“De kracht van dit project is gelegen in de gezamenlijke aanpak,” vertelt projectmanager Pol Hakstege van de Bouwdienst. Hij werkt bij het Projectbureau Waterbodems Advies en Uitvoering (WAU), een samenwerkingsverband van de Bouwdienst en Directie Noordzee van Rijkswaterstaat. Bij de samenstelling van het rapport zijn provinciale werkgroepen betrokken, waarin de verschillende overheden zijn vertegenwoordigd. Zij hebben per provincie een inventarisatie gemaakt van alle baggerspecie die in de toekomst moet verdwijnen. Akwa heeft in enkele regionale en landelijke bijeenkomsten de afstemming tussen de regio's bewaakt.

Voor de verwerking en analyse van de gegevens heeft Akwa bovendien een model gebruikt dat speciaal is ontwikkeld voor dit project. Hiermee is de bestemming van de baggerspecie vast te stellen. Bagger uit zoute wateren is bijvoorbeeld vaak geschikt om in zeewater te verspreiden. Bij de veel sterker verontreinigde zoete specie is verspreiding op land of in oppervlaktewater in mindere mate mogelijk. Een klein deel van deze baggerspecie is geschikt voor hergebruik en verwerking tot toepasbare producten. Het merendeel komt in aanmerking voor opslag in een depot. Dit speelt bijvoorbeeld bij de sanering van de Bergsche Plassen in Rotterdam, die vanwege het milieu uitgebaggerd moeten worden.

Miskend

“De baggerproblematiek is in Nederland eigenlijk nog miskend,” zegt Hakstege. “Het is een sluimerend probleem dat onvoldoende aandacht krijgt, zolang er geen enkele calamiteit optreedt. Dit komt omdat het een onzichtbaar probleem is. Veel overheden geven hun geld liever uit aan de bouw van een school of een ziekenhuis. Als we de achterstand niet snel inhalen, dan zullen de economische schade en de overlast voor het milieu sterk toenemen.”

De totale hoeveelheid baggerspecie in Nederland voor de komende tien jaar is ongeveer 400 miljoen kubieke meter. De ene helft is afkomstig uit de zoete wateren, de andere uit de zoute wateren. Een kwart van alle specie is zwaar verontreinigd. De hoeveelheid baggerspecie verschilt echter per provincie. Limburg heeft bijvoorbeeld relatief weinig baggerspecie, maar kampt desondanks met een tekort aan bestemmingen. Zuid-Holland daarentegen heeft juist veel baggerspecie, maar beschikt wel over stortplaatsen zoals depot de Slufter op de Maasvlakte.

Erfenis

Het leeuwendeel van de vervuilde waterbodems in Nederland is een erfenis uit het industriële verleden. Grote boosdoeners waren de chemische haven-en textielindustrie. Ook olielozingen tijdens de Tweede Wereldoorlog lieten hun sporen na. In de Petroleumhaven van Amsterdam  is de bodem nog doordrenkt met olie en andere koolstofwaterstoffen. De aanvoer van vervuilde baggerspecie via de Maas uit Frankrijk en België is nog steeds een bron van zorg. Overigens is volgens  waterspecialist Hakstege de waterkwaliteit van de Rijn uit Duitsland sterk verbeterd. In dit land zijn inmiddels een groot aantal bronnen van vervuiling aangepakt.

Ook in Nederland zal de aanpak van waterbodems gunstig kunnen uitpakken. “De maatschappelijke baten zullen zeker opwegen tegen de grote investeringen,” verwacht Hakstege. Dit blijkt volgens hem uit een kosten- en batenanalyse die is uitgevoerd in opdracht van de Bouwdienst. “Niet alleen wordt het milieu schoner. Ook het uitbaggeren zal de kans op overstromingen verkleinen en de vaarwegen beter bereikbaar maken voor de scheepvaart. Dat levert de maatschappij veel winst op. Voor het wegwerken van de baggerachterstanden zal de komende tien jaar een extra bedrag nodig zijn van tussen de 3,3 en 6,5 miljard euro.”

Bestemmingen

Er zijn verschillende bestemmingen voor overtollige baggerspecie. Verspreiden over land of in oppervlakte water is al eeuwenlang een veelgebruikte methode in Nederland. Verwerking met eenvoudige technieken zoals zandscheiding, landfarming, rijping en koude immobilisatie is momenteel in opkomst. Geavanceerde verwerking, zoals thermische immobilisatie, wordt nog niet toegepast om sterk vervuilde baggerspecie te verwerken. Deze techniek is vooralsnog erg kostbaar. Het merendeel van de baggerspecie die niet verspreidbaar is, wordt gestort in depots. Natte depots hebben vanuit ecologisch en financieel oogpunt de voorkeur boven droge stortplaatsen.

Hakstege: “Bepaalde regio’s hebben momenteel voldoende depotsruimtes, terwijl er in andere depots een tekort is. Een ruimere openstelling van de bestaande depots kan bijdragen aan een betere coördinatie. De provincies moeten wel rekening houden met transport- en overslagkosten. Verder is het streven om depots te combineren met verwerking, waarbij de baggerspecie bijvoorbeeld wordt gebruikt voor een geluidswal of wegen. Er zijn inmiddels twee grote depots voor de berging van baggerspecie in combinatie met verwerking, Slufter is de ene, IJsseloog in het ketelmeer de andere. Vanwege de toenemende maatschappelijke weerstand tegen depots wordt verwerking van baggerspecie gestimuleerd door de overheid. Toch zijn depots ook in de toekomst nog nodig om het baggerprobleem op te lossen.”

Knelpunten

Tijdens de landelijke bijeenkomsten met de provinciale werkgroepen kwamen echter ook knelpunten naar voren. Onduidelijkheden over de interpretatie van bestaande regels leiden soms tot verwarring en een afwachtende houding. In steden is vaak ook geen ruimte om de baggerspecie op de kant te zetten. Ook de maatschappelijke en politieke weerstand tegen de verspreiding van licht verontreinigde baggerspecie op land of op zee of neemt toe. Alleen relatief dure oplossingen als verwerking en storten in een depot blijven dan over.

“Het is nu aan de politiek om op basis van dit document beslissingen te nemen en een koers uit te zetten, meent Hakstege. Binnenkort wordt bestuurlijk advies uitgebracht aan de staatsecretaris van Verkeer en Waterstaat. Binnen vijfentwintig jaar moet het baggerprobleem op te lossen zijn. Hopelijk zal de verdere politieke besluitvorming leiden tot een realistische koers over beschikbare middelen en doelstellingen. De regionale werkgroepen kunnen dat beleid dan gaan uitvoeren. "Voor de waterbeheerders zal er de komende jaren naar verwachting veel werk aan de winkel zijn om de achterstand in te lopen. Er zal zeker een beroep gedaan worden op de Bouwdienst en Akwa. Beiden hebben jarenlange ervaring en specifieke kennis op het gebied van waterbodems in huis. De toekomst zal uitwijzen of we over vijfentwintig jaar in Nederland met een schone lei kunnen beginnen. ”

door Jessica de Jong

Copyright © 2017 Jessica de Jong | Alle rechten voorbehouden | Webdesign