Mens

Surinaamse 'wilden'

dinsdag 06 februari 2007

Gepubliceerd in weekkrant Suriname 

Surinaamse ‘wilden’ als kermisattractie op Museumplein

Amsterdam - ‘De toegangsprijs voor ‘De Rotonde der Surinamers’ in het koloniale park, bedroeg een kwartje, zegt Helen Wijngaarde. Ze bladert in haar scriptie over de eerste koloniale wereldtentoonstelling, die in 1883 op particulier initiatief plaatsvond op het Museumplein in Amsterdam. Helen brengt hierin de leefomstandigheden in kaart van enkele vergeten Surinamers. Zij kwamen eind vorige eeuw op uitnodiging van koning Willem III naar Nederland om gedurende een half jaar tentoongesteld te worden voor publiek.

Een oude ansichtkaart uit het Teylers museum in Haarlem, waarop een groep Surinaamse indianen, bosnegers en stadscreolen staat afgebeeld op het museumplein in Amsterdam, was aanleiding voor Helen om haar scriptie te schrijven. Ze voerde haar onderzoek uit met een lach en een traan. ‘Bij het zien van die kaart was ik onmiddellijk getroffen door de trieste gelaatsuitdrukking van deze mensen. Toen ik vervolgens in het opschrift las wat de reden was van hun verblijf in Nederland, liet dat beeld mij niet meer los.’
Vanaf dat moment wilde Helen nagaan met behulp van archiefmateriaal en bestaande literatuur in hoeverre deze mensen het beeld hebben beïnvloed dat veel Nederlanders in die tijd hadden van de ‘inboorlingen’ uit de kolonie Suriname. Hoofddoel van de internationale tentoonstelling was uitbreiding van het handelsverkeer tussen het moederland en de koloniën. Om de bezoekers een beter beeld te geven van het alledaagse leven in de koloniën werden mensen uit Oost- en West-Indië tentoongesteld.
 De Surinamers, in totaal 28 mensen, zouden letterlijk van een koude kermis thuis komen. Hen was beloofd dat ze na de grote tocht over zee in Nederland eregasten zouden zijn op het wereldfeest van koning Willem III, maar in plaats daarvan waren ze de hoofdattractie in een dubieus schouwspel. Ze werden gehuisvest in een grote tent op het Museumplein, ‘De Rotonde der Surinamers’genaamd. ‘Hun teleurstelling was groot’, zegt Helen, ‘Ze begrepen niet waarom de koning hen geen bezoek bracht. Ze zeiden letterlijk: ‘Als hij moe was geweest, dan hadden we hem wel gedragen.’
De Surinaamse indianen en creolen leidden een teruggetrokken bestaan in het koloniale park. Ze woonden afgescheiden van de andere bevolkingsgroep uit Oost-Indië. Hun leefomgeving moest een waarheidsgetrouwe weergave voorstellen van het leven in Suriname. In de tent was een houten vloer bevestigd, waarop drie verschillende soorten hutjes waren gemaakt - een tipy, een bosnegerhut en een plantagehut. De Surinamers  hadden zelf materiaal meegenomen om huisjes van te bouwen. Rondom de hutten was een hek geplaatst. Volgens Helen wekt dit de suggestie dat het publiek beschermd moest worden tegen de zogenaamde ‘wilden’.  
Alhoewel de Surinamers vrijwillig waren gekomen, blijkt volgens Helen dat ze een totaal andere verwachting hadden over wat hen te wachten stond. In de weinige reacties van deze mensen, die zijn geregistreerd, vertelt een Indiaan  dat hij zijn twee vrouwen thuis achterliet en zich verheugde op de reis en zijn verblijf in Nederland. Hij kwam bedrogen uit, want hem stond slechts verveling te wachten. Bovendien was het klimaat koud en het voedsel te vet. Velen werden ziek. Een Indiaan overleed aan een borstkwaal.
Terwijl de bewoners berustten in hun lot als kijkobject, brachten ze hun dagen door met de verkoop van souvenirs. Een verslaggever van De Tijd schreef hierover: ‘Het waren lelijke poppen, die ze verkochten voor mooi geld.’ Volgens Helen is dit citaat typerend voor de eenzijdige wijze waarop in de pers geschreven werd over de ‘exemplaren van deze mensensoort’. Niettemin klinkt volgens haar in sommige berichten ook verbazing door over het feit dat de Surinamers, doodgewoon Nederlands spraken en het christelijke geloof belijdden. Een journalist schrijft dat hij niet had verwacht dat een Indiaan hem bedankte voor een sigaar. Door dit soort berichten werd het beeld van de naakte inboorling en de roodhuid enigszins aan het wankelen gebracht, ware het niet dat de wijze waarop de mensen tentoongesteld werden dit juist in negatieve zin bevestigde. 
 Onder de duizenden bezoekers bevonden zich diverse pseudo-wetenschappers, die belangstelling hadden voor deze nog onbekende mensensoort. Helen laat uitvoerige lijsten zien afkomstig uit een boek over les habitans de Surinam van een bekende franse amateur etnograaf, Roland Bonaparte. Hij beschrijft in zijn boek de mensen van top tot teen aan de hand van resultaten uit craniometrisch onderzoek. Deze wetenschap gaat uit van de gedachte dat aan de hand van schedelmetingen de hierarchie tussen de rassen kan worden afgelezen.
Helen betreurt dat toentertijd niet is beschreven hoe de Surinamers zelf dachten over de tentoonstelling. Ze kregen evenmin de kans uitleg te geven over bepaalde gebruiken uit hun cultuur, zoals bijvoorbeeld de betekenis van houtsnijwerk of de wijze waarop ze hun hutten bouwden, zonder dat er ook maar een spijker aan te pas kwam. ‘Ik wil daarom zelf gaan uitzoeken of er in Suriname nog foto’s of geschriften over hen bestaan.’
  
Helen Wijgaarde studeert Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. De titel van haar scriptie luidt: <I>De Internationale Koloniale en Uitvoerhandel, Tentoonstelling te Amsterdam in 1883. De Rotonde der Surinamers.<D>

door Jessica de Jong

Copyright © 2017 Jessica de Jong | Alle rechten voorbehouden | Webdesign